Th. Van Rijswijckplaats 7 - 2000 Antwerpen

03 203 44 00

Kleinhoefstraat 6 - 2440 Geel

014 63 95 70

Lid worden

Alle info over de Coronacrisis

De rechtstreekse vordering

06 april 2021

Artikel 1798 oud BW verleent metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers die werden ingeschakeld bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, een rechtstreekse vordering tegen de bouwheer voor het bedrag dat de bouwheer nog aan de aannemer moet betalen. De rechtstreekse vordering kan ook door de onderaannemer in de tweede – of verdere – graad uitgeoefend worden, aangezien artikel 1798 oud BW bepaalt dat de onderaannemer als ‘aannemer’ en de hoofdaannemer als ‘bouwheer’ moeten worden aanzien ten opzichte van de onderaannemers in de tweede graad (en dus de onderaannemer van uw onderaannemer). Om de leesbaarheid van deze bijdrage te bevorderen wordt hierna enkel de relatie bouwheer-aannemer-onderaannemer besproken.

Wanneer een onderaannemer niet betaald wordt door zijn aannemer, bestaat de mogelijkheid dat deze onderaannemer een rechtstreekse vordering instelt ten opzichte van de bouwheer. De onderaannemer springt met andere woorden over het hoofd van zijn opdrachtgever en stelt zijn vordering rechtstreeks ten opzichte van de bouwheer, zijnde een partij waarmee hij geen overeenkomst heeft.

Vanaf het instellen van de rechtstreekse vordering kan de bouwheer de schulden die hij nog had ten aanzien van de hoofdaannemer enkel nog bevrijdend betalen aan de onderaannemer.

Indien er discussie bestond tussen hoofd- en onderaannemer omtrent het bedrag van de rechtstreekse vordering, was het risico op een volledige blokkering van de werf groot. Na het instellen van de rechtstreekse vordering kan de bouwheer namelijk niets meer bevrijdend betalen aan de hoofdaannemer. De bouwheer betaalde in geval van betwisting evenmin aan de onderaannemer gelet op het adagium: qui paie mal, paie deux fois.

En wanneer niemand nog betaling ontvangt, dreigt de complete stilstand van de werf.

Vandaar dat de Confederatie er mee voor heeft gezorgd dat de rechtstreekse vordering werd hervormd. Artikel 1798 oud BW werd namelijk aangevuld met een bepaling die de bouwheer de mogelijkheid geeft om de bedragen die het voorwerp uitmaken van betwisting tussen de aannemer en de onderaannemer te storten bij de Deposito- en Consignatiekas of bij een financiële instelling op een geblokkeerde rekening op naam van de onderaannemer en de aannemer. Indien de aannemer of de onderaannemer hierom schriftelijk verzoeken, dan is de bouwheer verplicht om te consigneren.

De consignatie door de bouwheer werkt bovendien bevrijdend en wordt als ‘betaling’ aanzien, waardoor de bouwheer geen bijkomende interesten moet betalen voor de periode dat er geen betalingen kunnen gedaan worden. Na de consignatie van het bedrag van de rechtstreekse vordering kan de bouwheer de hoofdaannemer opnieuw betalen voor het saldo.

Deze aanvullende regel zorgt ervoor dat de aannemer en onderaannemer gevrijwaard worden van het risico dat de openstaande bedragen in hoofde van de bouwheer niet betaald zullen worden aan de partij aan wie het verschuldigd is. Bovendien is de bouwheer verzekerd van de continuïteit van de uitvoering van de werkzaamheden.

Meer informatie?


Maarten De Voeght
Juridisch adviseur bouwrecht
03 203 44 03
maarten.devoeght@confederatiebouw.be

Dialog

Tekst

Ok Annuleer